Bijna is dit boek een stukje autobiografie van de auteur, voorzover het zijn langdurige, diepe belangstelling voor schelp- en andere weekdieren, hun gedragingen, gevarieerde behuizing en ecologie betreft. Zoals hijzelf schrijft: ‘Mijn neiging om schelpen te zoeken dank ik aan ons vakantiehuisje op Schiermonnikoog’; en dat van jongsaf aan. Soms komt hij echter uit bij totaal andere dieren en hun fossiele overblijfselen, zoals de bekende haaientanden van Zeeuwse stranden en aangrenzende Vlaamse stranden. Of kaken van zeehonden. Om het populair te zeggen: zijn enthousiasme ervoor spat ervan af.

De nadruk in dit boek ligt op het leven van schelp- en andere huisjesdieren in zee en daarin komen enkele honderden soorten korter of langer aan de orde (van de rond honderdduizend soorten schelpdieren …..). Vooral de zgn. tweekleppigen (twee op elkaar passende schelphelften die men, indien compleet, ‘doubletten’ noemt) beschrijft hij heel uitgebreid.
Wat dit boek bijna tot veldgids maakt, is de beschrijving van de grote verscheidenheid typen weekdieren. Je kunt het zo gek niet bedenken (als je in zee duikt; of op het strand, in het bos of in de eigen tuin loopt), of je komt wel een soort tegen die wordt beschreven. Inktvissen, schelpdieren, slakken, mosselen en oesters – ‘te land, ter zee ……’, onder het maaiveld en in het zoete water: ze komen allemaal aan de orde.
Wat heeft het onderwijs aan dit boek?
Duidelijk is dat dit schelpenboek niet per se voor het onderwijs of voor een ‘non-formele’ educatiesituatie is geschreven. Het gaat over schelpen, hun bewoners in al hun gedaanten, hun milieu en hun gedragingen. Maar het is wél te gebruiken door leraren. Een tweetal voorbeelden, ontleend aan de bovenin genoemde leraar en museumeigenaar, laat dat zien.
De biologieles (tekst: Tore van der Leij)
Het boek ademt fascinatie van de auteur voor schelpen en schelpdieren, die – behalve allerlei interessante kennis over de biologie ervan oplevert – ook een sterk affectief-emotionele dimensie heeft … En dus … ook een mooi uitgangspunt voor het onderwijs: starten met verwondering, betrokkenheid – fascinatie – ‘aanwakkeren’ en schoonheid laten zien, een belangrijke basis voor nieuwsgierigheid én meer willen weten. Ook voor het natuur- en biologieonderwijs biedt het boek allerlei interessante en waardevolle verhalen, bijvoorbeeld over de invloed van de mens op de (leef)wereld van schelpdieren:
- Over de invloed van verzuring op de afname van huisjesslakken (p. 52):
‘De cruciale rol van kalk voor schelpdieren blijkt wel uit het effect van ammoniak. Ammoniak (uit de veehouderij) belandt op arme zandgrond, waardoor de bodem verzuurt en kalk oplost. Gevolg is een afname in de hoeveelheid tuinslakken. Slakkenhuizen zijn voor vogels een belangrijke kalkbron; door kalkgebrek leggen mezen op de Veluwe eieren met zwakke kalkschalen; eventueel wél geboren kuikens bezwijken onder hun kalkarme pootjes’.
- Over de kokkelsterfte ten gevolge van vaker voorkomende hittegolven (pp. 123/124):
Hitte is de nieuwe kou: ‘Zijn de vaker voorkomende hoge temperaturen de directe oorzaak van de kokkelsterfte? Bij langdurige oostenwind en hitte hebben de kokkels minder tijd om te eten, terwijl de hoge temperaturen hun stofwisseling juist opjaagt en ze alleen maar meer voedsel nodig hebben. Gevolg is dat ze door de hitte dus verzwakken en daardoor vatbaarder worden voor parasieten’.
Samengevat, een erg waardevol boek, dat als inspiratie én documentatie kan dienen voor het biologieonderwijs. Ontegenzeggelijk laat het boek ons nadenken over ‘wie wij zijn’ en hoe onze relatie met natuur er (ook) uit kan zien: vol verwondering en (zeker ook) nederigheid/bescheidenheid ten opzichte van een groep organismen die al véél langer dan wij op deze aarde weten te (over)leven’.
Het Schelpenmuseum ‘Paal 14’ (interview met Thijs de Boer)
Dit bijzondere museumpje, niet groter dan een flinke woonkamer met ‘klassieke’ vitrines vol schelpen, week- en andere zeedieren, is geheel particulier. Het doel van (de eigenaar van) het museum is de enorme verscheidenheid aan zeedieren (en hun schelpen) te laten zien aan de 6 à 7000 bezoekers per jaar – waarvan overigens rond 2000 kinderen. En ook – of: juist – biedt bezoek aan het museum een kans om buiten, in ‘het veld’, de verbondenheid van de mens (de bezoeker) met wad en zee, met hun biotopen en de daarin voorkomende dieren (en planten), te verstevigen. De didactiek daarvan is bijvoorbeeld te vinden in het (Vlaamse) boek ‘Outdoor education’ van Filip Mennes waarin uitgebreid wordt ingegaan op buitenwerk, in allerlei vormen.
Zijn opvattingen daarover weerspiegelen precies de uitspraak die een vroegere collega, Hans Hoogenhout, rond 1977 (toen rijksconsulent natuurhistorische musea) deed over de functie van bezoekerscentra en musea: “Binnen kijken, buiten zien“. Heel treffend. Met andere woorden: je kunt van alles over de natuur binnen bekijken maar buiten ervaar je (de elementen van) de omgeving pas echt: als iets waarvan je deel uitmaakt, een relatie mee hebt.
En dit is de ‘opdracht’ die de eigenaar de bezoekers – veelal van de vaste wal – consequent meegeeft, zie de website: ‘En nu: zelf er op uit! Langs de vloedlijn en eblijn, op zoek naar mooie schelpen! Iets gevonden waarvan je niet weet wat het is? In Schelpenmuseum ‘Paal 14’ kun je je vondsten determineren ….. met behulp van determineerboeken’.
Dit boek van Koos Dijksterhuis ligt er ook.
De grootte van het museum laat binnen geen grote aantallen bezoekers toe, zoals een basisschoolgroep of klas van het voortgezet onderwijs: daarvoor is de ruimte te klein. De kern is dan ook dat juist die groepen worden meegenomen op excursie. En deze situatie biedt ook de mogelijkheid zich goed te kunnen voorbereiden op zo’n geleide wandeling. Bijvoorbeeld door erover te lezen, wat je kunt verwachten – zoals dit boek.
Het effect van deze manier van werken van het museum is niet alleen die intensieve ervaring, hij leidt ook vaak tot spreekbeurten op school, tot nagesprekken in kring of groepen en tot het verder lezen van literatuur. Evenals tot het maken van verslagen en opstellen. Mensen kijken daarop, net als op zo’n werkweek, hun hele leven met genoegen en herkenning terug.

Boek
Dijksterhuis, Koos, 2022. Noordkrompen, zee-engelen en koffieboontjes – een schelpenboek. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen.
Recensent
Chris Maas Geesteranus – met onderwijssuggesties van Tore van der Leij (biologieleraar Hondsrugcollege, Emmen) en Thijs de Boer (eigenaar Schelpenmuseum, Schiermonnikoog)
Verder lezen
Over de didactiek van modern biologie-onderwijs waarin ook zulke vraagstukken aan de orde komen, heeft de NVON een uitgebreide publicatie uitgebracht: ‘Ecologie leren en onderwijzen‘
Outdoor education: hoe buiten spelen en leren samenhangen (NIVOZ)
