Recensie Outdoor education. Buiten aan de slag met wiskunde, wereldoriëntatie, taal en muzische vorming.


Filip Mennes schreef ‘Outdoor Education, een inspiratie- en praktijkwerkboek voor diegenen die, binnen het onderwijs – maar evengoed daarbuiten – (jonge) kinderen in hun ‘buitenleren’ * begeleiden. Het biedt inspiratie vanuit pedagogische overwegingen hoe spelen en leren samenhangen.

Wie weet is de auteur zelf wel door bijgaand gedicht van de 18e-eeuwse, Nederlandse dichter Hieronymus van Alphen geïnspireerd geraakt:

HET VROLIJK LEREN

Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen,
En waarom zou mij dan het leren vervelen?
Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak.
Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken;
Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken,
‘t Is wijsheid, ‘t zijn deugden, naar welke ik haak.

In het voorwoord haalt hij (onderzoeker en lerarenopleider aan de Vlaamse hogeschool Odisee) een andere auteur aan, Rutger Bregman. Die denkt er hetzelfde over: “Wij zijn geboren om te leren, te verbinden en te spelen”. Waarmee hij er nog een element aan toevoegt: samen spelend leren, dat is wat de mens wil. En de mens heeft dat ook nodig.

Voor diegenen die namelijk denken dat spelen(d leren) vrijblijvend is, heeft de auteur ook een duidelijke boodschap: het is de noodzakelijke opstap naar volwassenheid. Hij stelt: ‘Onze langdurige jeugd en de gloeilamp in ons hoofd vormen echter een unieke combinatie. Eentje die ons tijd geeft en in de intellectuele flexibiliteit voorziet om volledig te groeien en ons aangeboren potentieel te ontwikkelen’.

De inhoud

Het boek heeft twee delen. In het eerste deel gaat het geheel over theorieën en onderzoek die allang hebben uitgewezen dat buiten leren, naast het werken binnen de muren van de school, grote voordelen biedt. In de samenvatting van het boek zet de auteur die op een rij: activerend, ervaringsgericht, vrijheidsgevoel, stimuleert initiatief, stimuleert beweging, contact met de natuurt/buitenwereld, concreet en (daardoor) betekenisvol voor de lerende, stimuleert nieuwsgierigheid, creativiteit en fantasie, geïntegreerde leerervaring.

Zo zijn er nog wel meer positieve gevolgen zoals ‘helend’, rustgevend en dergelijke. De literatuur hierover (het boek heeft achterin een lange literatuurlijst, veelal niet Vlaams of Nederlands – hoewel dat taalgebied ook de nodige boeken en artikelen kent) is langzamerhand zeer uitgebreid en overtuigend, getuige ook de bekende uitspraak: “Groen doet goed”.

De auteur eindigt met een wens en oproep: “De tijd is rijp voor een groene revolutie. Eentje vormgegeven van onderuit, vanuit het kind, dat hoopvol naar boven kijkt en ons de weg wijst. Zodat we eindelijk eens naar boven wijzen in plaats van steeds te onderwijzen“ (vet van recensent – CMG).

In dit (eerste) deel van het boek komt spel ook als mentale groeimethode voor. Er staat onder meer: ‘Spel is geen tijdverdrijf maar de essentie van onze jeugd. Het is de evolutionaire truc die ons uitnodigt om door spel de complexiteit van het leven te verkennen op een veilige manier’. We kunnen dus niet zonder, zegt hij eigenlijk.

Verderop worden de meeste van bovenstaande aspecten uitgewerkt in de tekst, in diverse hoofdstukken. Dat zijn: Vrij spel, Bewegend leren, Natuurlijke leeromgevingen, Omgevingsonderwijs en Pretpedagogie. Daarbij geeft de auteur een waarschuwing mee aan de lezer: “We mogen spel niet zien als een verplicht nummer, een zoveelste extra bal om in de hoogte te houden, maar eerder als een frisse benadering van het onderwijs’. Waarmee hij in feite wil zeggen dat spelen (ook) een leermethode is – en voor de leraar een onderwijsmethode, als alternatief voor andere methoden.

Pretpedagogie

Speciale aandacht geeft de auteur aan de pedagogische motivatie waarom spel juist bijdraagt aan het leerproces en niet ‘….. teveel bezig zijn met plezier en welbevinden en de essentie van lesgeven vergeten’. En dat we daardoor zouden ‘wegzakken op de internationale ranglijsten op het gebied van wiskunde, rekenen en lezen’ (blz. 61). Tegen deze visie (die een oorzakelijk verband suggereert) zet hij zich met alle kracht af. En niet alleen tegen het, formele, leerproces op school: ook thuis. Ook daar vindt volgens hem een kunstmatige scheiding plaats tussen bijvoorbeeld werk (huiswerk) de ene kant en vrije tijd (huiswerk af, dan pas spelen) aan de andere. Voor hem horen die zaken onlosmakelijk bij elkaar – spelen is geen bijzaak, geen bonus voor noeste arbeid.

Maar niet alles hoeft leuk te zijn. Er mag gezwoegd en gewerkt worden’, zo geeft hij ons echter mee. Als dat maar gebeurt in een ‘speels klimaat’. Om zo een pedagogiek te ontwikkelen waarin scheiding plaats maakt voor samenhang. Daarnaast – eigenlijk in vervolg daarop – geeft hij nog een waarschuwing mee: sta leerlingen, zodra ze de school binnenkomen, ook een zekere vrijheid toe (om bijvoorbeeld kind te zijn). Geef ze de ruimte een ‘zelf’ te zijn – om Gert Biesta aan te halen (zie de leessuggesties onderaan). Daarin heeft hij dezelfde opvatting als diverse andere auteurs van de laatste jaren. Waarop hij stevig uithaalt naar de neiging van ‘het systeem’ ‘om door te slaan richting controle’.

Als laatste in dit deel van het boek komt dan ook de verzuchting: ‘Onze cultuur is gemarineerd in toetsen, straffen en belonen. Maar laten we een paradigmaverschuiving nastreven waarbij de focus ligt op een pedagogie van vertrouwen. Laten we ons de vraag stellen of ons klassieke onderwijssysteem nog de meest vruchtbare bodem biedt om vrijheid, veiligheid en vertrouwen tot bloei te laten komen’.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de auteur veel aandacht besteedt aan de kwaliteit van natuurlijke leeromgevingen en aan omgevingsonderwijs. En koppelt daaraan een ‘fundamenteel didactisch principe’: ‘Omgevingsonderwijs nodigt uit tot actief leren. Het is niet verpakt in hapklare brokken. Leerlingen moeten zelf waarnemen, vragen stellen, vergelijken, interpreteren, analyseren en deduceren. De leerstof biedt zich echt aan, driedimensionaal, en kan met alle zintuigen waargenomen worden’.

Dit doet sterk denken aan de visie van Jos Elstgeest, een (Nederlandse) leraar uit het Jenaplanonderwijs, in de laatste decennia van de vorige eeuw. Hij legde een belangrijke pedagogische basis voor natuuronderwijs aan jonge kinderen door hun ontmoeting, interactie en dialoog met de natuur te stimuleren. In het Jenaplantijdschrift ‘MENSEN kinderen’ 9(1993)2 schreef hij een, toen, beroemd geworden artikel over de mierenleeuw, waaruit het volgende citaat:

Toen de kinderen dit insect observeerden en zagen wat het deed, kwamen ze met een heleboel vragen: Wat is dat? Wat doet het in die kuiltjes? Hoe komt het daar? Hoe beweegt het zich? Wat eet het? Hoe vangt het zijn voedsel? Hoe maakt het zijn kleine kuiltje? De kinderen stelden nog veel meer vragen en op al die vragen kan de mierenleeuw het beste zelf een antwoord geven. Dus moeten we de kinderen steeds maar weer zeggen: “Vraag het de mierenleeuw zelf maar. Hij zal jullie steeds een antwoord geven”.’

Dit is wat de SLO, het Nederlandse expertisecentrum voor het curriculum, op grond van die aanpak, in haar toenmalige project ‘Natuuronderwijs in de basisschool’ (NOB), ook heeft uitgewerkt. Daarin werd een systematische didactiek voor natuuronderwijs ontwikkeld. Dat idee is, veralgemeniseerd, een belangrijk pedagogisch uitgangspunt geworden voor het ontdekken, waarnemen en onderzoeken van ‘dingen’ in de natuur: ‘Vraag het de natuur zelf maar’. In plaats van wat de leraar ervan vindt.

Zo’n nieuwe praktijk bestaat her en der, niet alleen in Vlaanderen of Nederland. Zo kwam ik onlangs, als een ‘extreem’ voorbeeld, een Italiaanse werkwijze tegen die waarschijnlijk volkomen uniek is. Het gaat om een klas (zo te zien aan de illustraties uit de onderbouw voortgezet onderwijs; dit boek lijkt vooral te zijn geschreven voor het basisonderwijs), onder leiding van leraren en lokale deskundigen, die gedurende een schooljaar door vrijwel heel Italië wandelt, van noord naar zuid. Ondertussen leren de leerlingen in die periode, vanuit de omgevingspraktijk, over veel vakken die ze anders uit schoolboeken zouden moeten leren.

Na deze pedagogische inleiding sluit dit deel af met organisatorische kwesties: bedenken hoe je dit type buitenonderwijs organiseert, met wie je te maken krijgt, welke spullen mee moeten, hoe je ouders erbij betrekt en dergelijke.         

Deel 2

In dit deel van het boek dat ongeveer 2/3 van het aantal bladzijden beslaat, komt de praktijk van deze pedagogisch-didactische werkwijze tot uiting. Dat gebeurt aan de hand van een aantal vakken: wiskunde, wereldoriëntatie, taal, muzische vorming en ‘combinatieoefeningen’. Per vak worden soms enkele tientallen voorbeelden uitgewerkt zodat de leraar voldoende houvast heeft om die toepassing – in vivo – uit te werken met zijn/haar klas (Vlaanderen) of groep (Nederland).

Ik kan moeilijk beoordelen of de vele – creatieve – voorbeelden de kern vormen voor ook het Nederlandse (basis)onderwijs. In ieder geval staat voor mij vast dat de auteur alle moeite heeft gedaan zich te verdiepen in de wijzen waarop de omgeving de ‘helpende hand’ kan bieden om vraagstukken die leerlingen dienen op te lossen, daar concreet zichtbaar te maken.

Het is, qua ruimte, natuurlijk ondoenlijk om zelfs maar alle bovengenoemde vakken/leergebieden te bespreken in deze recensie. Daarom een tweetal opdrachten eruit gehaald (uit de thema’s ‘Wereldoriëntatie’ en ‘Taal’) die kunnen verduidelijken hoe dit buitenwerk eruit kan zien.

Gebruik

De auteur geeft op diverse plekken in het boek aan dat deze vormen van pedagogiek en didactiek zowel op Vlaamse als op Nederlandse basisscholen bruikbaar zijn. Wat het gebruik op Nederlandse scholen betreft, sluiten ze mooi aan bij de methoden van zelfontdekking die worden beschreven in o.a. een – eveneens gerecenseerd – boek als ‘Praktische didactiek voor Natuur & Techniek’ van Jos Marell en Els de Vaan (2020).

Maar, aangezien deze manier van werken waarschijnlijk niet zo gebruikelijk is, in Nederland noch in Vlaanderen, doet de vraag zich voor of dit een regulier onderdeel van de lerarenopleidingen kan zijn/worden. Een aantal suggesties daarvoor had niet misstaan in een uitleiding van het boek.

Boek

Mennes, Filip, 2025. Outdoor education. Buiten aan de slag met wiskunde, wereldoriëntatie, taal en muzische vorming. Uitgeverij SWP, Amsterdam (2e druk)

Recensent

Chris Maas Geesteranus

* Noot

Het is jammer dat in dit boek een Engelse titel is gebruikt. Er lijkt geen reden om niet een term als buitenleren, buitenonderwijs, misschien veldwerk of veldstudie te gebruiken.

Verder lezen

‘Wereldgericht onderwijs’ van Gert Biesta (2022)
‘De school van je leven’ van Ludo Heylen (2023)
‘Leren in een Levend Systeem’ van Guus Geisen (2024)
‘Service-learning’ van Kaat Somers et al., red. (2025; dit boek gaat over hbo-opleidingen)
32 lessen voor de toekomst’ van André de Hamer en Peter Heres (z.j., red.)
‘Onderwijzen tijdens Transities’ van Bas van den Berg (2023)

Meest recente recensies